Skaat
Thu, 12 Aug 04, 8:13 PM
Dit heb ik net gevonden op internet... niet van mij maar ik dacht het toch maar eens te delen met jullie:
Het is nog midden in de nacht als ik wakker word. Ik moet dringend plassen maar blijf nog even liggen. Ik vecht tegen de slaap en de drang om naar de wc te gaan.
Ik kijk richting wekker maar geen manestraaltje geeft mij enige hint. Het is nog een oude wekker zonder lampje erin.
Zachtjes om mijn bedgenoot niet wakker te maken zwaai ik mijn benen uit het bed en sta op. Op de tast vind ik de deurknop en stap de gang in.
Gelukkig is het maar enkele stappen tot aan de wc deur. Zonder het licht aan te maken stap ik er binnen en ga zitten. Het donker is diep en zwart. Alweer half wegdoezelend schrik ik van een klop op de wc deur.
‘Ben jij dat schat?’ Geen antwoord.
‘Ben al klaar, ik kom.’ Als ik de deur open doe sta ik alleen in de donkere gang.
‘Waar ben je?’ Ik glijd met mijn handen over de muur tot ik de lichtknop vind. In een knip is de gang helder verlicht. Vreemd, niemand te zien. Als ik de slaapkamer terug in loop zie ik bij het schijnsel van het ganglicht dat het bed leeg is.
Nou word ie mooi. Alle kamers een voor een doorlopende knip ik overal het licht aan.
Alleen, niemand is in huis behalve ik zelf. Waar is mijn lief? Hij lag net nog naast me en klopte op de deur? Ik word gek.
Als hij het niet was die op de deur klopte wie dan?
‘Genoeg nu, doe niet zo flauw. Je maakt me bang.’ Mijn stem klinkt hol en ik draai wezenloos rondjes in mijn eigen huis.
Mijn maag vormt zich tot een rubberen bal, en ik voel weer de aandrang om te plassen.
Dan klinkt de klop op de deur weer. Ik trek mijn wenkbrauwen op en mijn mond plooit zich tot een lach.
Rotkerel, je zit op de wc, en mij maar bang maken.’
Met een ruk trek ik de deur open, niks. Weer klinkt de klop en ik voel het hout vibreren in mijn hand. Met een ruk laat ik de deur los en staar naar mijn hand. Weer herhaalt zich het geluid, nu verschillende keren achter elkaar.
Langzaam zet ik een stap terug. Mijn mond wordt droog en piepend roep eerst zachtjes en dan harder.
‘Help, help, ik ben alleen en bang, waar ben je?
Niemand antwoord mij en terwijl de angst zich in mijn keel vestigt doe ik de voordeur open en stap naar buiten. Ik blijf geen minuut langer in dit rare huis.
Buiten is het kil en donker. Nergens brand licht en zelfs de lantaarnpalen staan doods en recht in deze nacht.
Ik kijk om en hoor weer het kloppen op de deur en mijn voeten zetten zich als vanzelf in beweging. Ik loop door de straat en verwonder mij dat zelfs de sterren deze nacht het laten afweten. Behalve het ruizen van de bomen hoor ik geen enkel geluid. Geen nachtelijke auto’s, geen voorbij schietende kat. Niks, helemaal niks. En zo langzamerhand sta ik op het randje van de waanzin.
Het kloppen achter mij word steeds harder en ik begin te rennen. Op mijn blote voeten loop ik over het zwarte asfalt van de straat. De wind is aangewakkerd en blaast mijn oude slaap shirt als een opbollend zeil vooruit.
Dit is niet normaal. Welk uur van de nacht het ook is er is altijd wel ergens licht, een late auto of een eenzame fietser. Maar ik zie niemand en er is alleen het donker en de klop geluiden op de achtergrond.
Het ruizen van de bomen wordt sterker en ik besef dat het niet de bomen zijn wat ik hoor. Het is het geluid van snelstromend water dat murmelt en klokt om muren en door straten.
In blinde paniek ren ik nu en ik besef dat ik ren voor mijn leven.
Het flatgebouw dat voor mij opdoemt, lijkt een baken in de nood. Ik vlieg bijna het trappenhuis in en blijf de trappen omhoog rennen. Eenmaal boven stap ik de smalle galerij op en heb nu een uitzicht over de hele wijk.
Niet dat er veel te zien is. Het is zo donker dat ik maar enkele straten ver zie. Maar het water komt toch wel. Snel worden eerst de stoepen verovererd en dan verdwijnen langzaam maar zeker een voor een de bomen. Ik zie het water komen en weet niet wat te doen. Bijna dubbelgevouwen met mijn handen op mijn knieën probeer ik op adem te komen. Dan richt ik me op en kijk. Het water staat nu tot net onder de rand van het flatgebouw. Ondanks mijn penibele toestand besef ik dat ik nog steeds dringend moet plassen. Dan klotst het water over de rand en spoelt over mijn blote voeten. Het is raar genoeg warm water.
Beelden van ontsnapt koelingswater van een kernreactor schieten door mijn hoofd. Met het water tot aan mijn knieën laat ik alles lopen. Toe, maar, het doet er nu toch niet meer toe.
Als het water langzaam tot mijn buik komt voel ik plots een hand op mijn schouder.
‘Hè, wat doe je? Wakker worden.’ Wild word ik heen en weer geduwd en ik maai met mijn armen om mijn belager van mij af te schudden.
‘Hee, wakker worden.’ Alsof ik uit een enorm diep zwart gat kom word ik inderdaad wakker.
‘Waarom is het bed zo nat?’
Het is nog midden in de nacht als ik wakker word. Ik moet dringend plassen maar blijf nog even liggen. Ik vecht tegen de slaap en de drang om naar de wc te gaan.
Ik kijk richting wekker maar geen manestraaltje geeft mij enige hint. Het is nog een oude wekker zonder lampje erin.
Zachtjes om mijn bedgenoot niet wakker te maken zwaai ik mijn benen uit het bed en sta op. Op de tast vind ik de deurknop en stap de gang in.
Gelukkig is het maar enkele stappen tot aan de wc deur. Zonder het licht aan te maken stap ik er binnen en ga zitten. Het donker is diep en zwart. Alweer half wegdoezelend schrik ik van een klop op de wc deur.
‘Ben jij dat schat?’ Geen antwoord.
‘Ben al klaar, ik kom.’ Als ik de deur open doe sta ik alleen in de donkere gang.
‘Waar ben je?’ Ik glijd met mijn handen over de muur tot ik de lichtknop vind. In een knip is de gang helder verlicht. Vreemd, niemand te zien. Als ik de slaapkamer terug in loop zie ik bij het schijnsel van het ganglicht dat het bed leeg is.
Nou word ie mooi. Alle kamers een voor een doorlopende knip ik overal het licht aan.
Alleen, niemand is in huis behalve ik zelf. Waar is mijn lief? Hij lag net nog naast me en klopte op de deur? Ik word gek.
Als hij het niet was die op de deur klopte wie dan?
‘Genoeg nu, doe niet zo flauw. Je maakt me bang.’ Mijn stem klinkt hol en ik draai wezenloos rondjes in mijn eigen huis.
Mijn maag vormt zich tot een rubberen bal, en ik voel weer de aandrang om te plassen.
Dan klinkt de klop op de deur weer. Ik trek mijn wenkbrauwen op en mijn mond plooit zich tot een lach.
Rotkerel, je zit op de wc, en mij maar bang maken.’
Met een ruk trek ik de deur open, niks. Weer klinkt de klop en ik voel het hout vibreren in mijn hand. Met een ruk laat ik de deur los en staar naar mijn hand. Weer herhaalt zich het geluid, nu verschillende keren achter elkaar.
Langzaam zet ik een stap terug. Mijn mond wordt droog en piepend roep eerst zachtjes en dan harder.
‘Help, help, ik ben alleen en bang, waar ben je?
Niemand antwoord mij en terwijl de angst zich in mijn keel vestigt doe ik de voordeur open en stap naar buiten. Ik blijf geen minuut langer in dit rare huis.
Buiten is het kil en donker. Nergens brand licht en zelfs de lantaarnpalen staan doods en recht in deze nacht.
Ik kijk om en hoor weer het kloppen op de deur en mijn voeten zetten zich als vanzelf in beweging. Ik loop door de straat en verwonder mij dat zelfs de sterren deze nacht het laten afweten. Behalve het ruizen van de bomen hoor ik geen enkel geluid. Geen nachtelijke auto’s, geen voorbij schietende kat. Niks, helemaal niks. En zo langzamerhand sta ik op het randje van de waanzin.
Het kloppen achter mij word steeds harder en ik begin te rennen. Op mijn blote voeten loop ik over het zwarte asfalt van de straat. De wind is aangewakkerd en blaast mijn oude slaap shirt als een opbollend zeil vooruit.
Dit is niet normaal. Welk uur van de nacht het ook is er is altijd wel ergens licht, een late auto of een eenzame fietser. Maar ik zie niemand en er is alleen het donker en de klop geluiden op de achtergrond.
Het ruizen van de bomen wordt sterker en ik besef dat het niet de bomen zijn wat ik hoor. Het is het geluid van snelstromend water dat murmelt en klokt om muren en door straten.
In blinde paniek ren ik nu en ik besef dat ik ren voor mijn leven.
Het flatgebouw dat voor mij opdoemt, lijkt een baken in de nood. Ik vlieg bijna het trappenhuis in en blijf de trappen omhoog rennen. Eenmaal boven stap ik de smalle galerij op en heb nu een uitzicht over de hele wijk.
Niet dat er veel te zien is. Het is zo donker dat ik maar enkele straten ver zie. Maar het water komt toch wel. Snel worden eerst de stoepen verovererd en dan verdwijnen langzaam maar zeker een voor een de bomen. Ik zie het water komen en weet niet wat te doen. Bijna dubbelgevouwen met mijn handen op mijn knieën probeer ik op adem te komen. Dan richt ik me op en kijk. Het water staat nu tot net onder de rand van het flatgebouw. Ondanks mijn penibele toestand besef ik dat ik nog steeds dringend moet plassen. Dan klotst het water over de rand en spoelt over mijn blote voeten. Het is raar genoeg warm water.
Beelden van ontsnapt koelingswater van een kernreactor schieten door mijn hoofd. Met het water tot aan mijn knieën laat ik alles lopen. Toe, maar, het doet er nu toch niet meer toe.
Als het water langzaam tot mijn buik komt voel ik plots een hand op mijn schouder.
‘Hè, wat doe je? Wakker worden.’ Wild word ik heen en weer geduwd en ik maai met mijn armen om mijn belager van mij af te schudden.
‘Hee, wakker worden.’ Alsof ik uit een enorm diep zwart gat kom word ik inderdaad wakker.
‘Waarom is het bed zo nat?’